Geplaatst in Gezondheidspromotie, professioneel, vroedvrouw

Ik sprak met een goede vroedvrouw

de mutsenbrigade

Ik sprak met een goede vroedvrouw.

Ze heeft de verloskamers verlaten. Na onnoemlijk vele ervaringen, na dagen en nachten te werken, weken, maanden en jaren kon ze het niet meer aan. Ze wou het niet meer aankunnen. Ze stikte in gevoelens van frustratie en gedegouteerdheid.

Als teenager wist ze dat ze vroedvrouw zou  worden. Ze studeerde flink en trok naar buitenlanden op stage. Ze volgde vele bijscholingen en verdiepte zich in het biologisch proces van menselijke voortplanting. Humanity during childbirth.

Ze richtte haar éénmanszaak op buiten het ziekenhuis en gaf GVO-lessen, met  thema-avonden en oefenen in houdingen en  ademhalen.  Prenten, foto’s, realistische films en vooral een opbouw van  empowerment en zelfbeschikkingsrecht waren haar troeven. Nabijheid en verbinding maken , vertrouwen en geduld infecteerden de groepjes.

Ze kweekte sterke zwangeren die opkwamen voor hun wensen en in hun eigen force bleven tijdens normale uitputtende arbeiden.  Maar af en toe werd zo’n zwangere toch ontpowered door collega-vroedvrouwen of doktoren. Af en toe begaf één van de ‘goed geïnformeerde vrouwen het, als de wortel van een epidurale haar werd voorgehouden.  En verloor ze haar kracht en werd zij,  net als de 1000 anderen, eenheidsworst van epidurale, vliezen breken, infuus er op, en billen kapot knippen, kind extraheren en ‘verlost’ liggen na het tumultueuze geweld van zo’n heftige interventies bij het normale proces van ‘kind komt uit moeder’.

De goede vroedvrouw werd zelf vaak overruled door protocollen, autoriteit, en tijdsdruk. Ze moest geregeld, na uren mentale coaching van een zwangere in arbeid, het bad laten leeglopen en de mechaniek in het gang steken, hopende dat haar shift dan snel voorbij zou gaan. Vol tegengoesting moest ze vliezen breken op drie centimeter. Zonder motivatie moest ze infusen prikken tijdens arbeiden met spontane weeën, en zuignappen aangeven als de uitdrijving 20 minuten duurde.

Ze werd zo moe om telkens met de artsen en collega’s te discussiëren om de arbeiden een normaal verloop te laten kennen. Ze vocht tot toestemming om géén vliezen te breken. Om géén buitengewoon extracorporaal ocytocine te moeten injecteren. Om bij normale bevallingen géén artsen als hulpbron aan te roepen, maar in alle rust kindertjes in bed te laten komen. Ze heeft gestreden zoals een goede vroedvrouw niet zou moeten.

Tijdens al die jaren heeft ze zelf kleintjes gekregen. Uitzonderlijke kindertjes: ze lagen allemaal in hoofdligging, ze waren niet te dik, niet te dun, gewoon met normale proporties. Als zwangere kwam zij normaal bij, géén bloeddrukgedoe, suikermiserie of iets anders. Alles gewoon.

Haar kindertjes passeerden – na uren weeën, baden en ‘hangen in de armen van de partner’ – een quasi intact perineum. Haar kindertjes werden zachtjes opgevangen in warme rode doeken, en ze loste niet meer : de kleine pasgeborene rustte uren op haar vel of het vel van haar partner. De kleintjes dronken haar melk, dagen, weken, maanden, dag en nacht.

Ze leerde veel uit  haar eigen ervaring als moeder.

Ze vond het alsmaar zwaarder in de verloskamers. Ze stierf vele over-lijdens telkens ze weer meemaakte hoe een onrijpe baarmoederhals bekogeld werd met gels, pillen en dilaterende  instrumenten. Ze haatte het systeem om vliezen te breken met een gele crochet, en een naald in het hoofd van de baby te vijzen. Ze kon niet meer tegen het ‘bevel tot pijnstilling’, vervolgens de onwil van de anesthesist, de eisende telefoongesprekken van de artsen en het opdrijven, het mechanisch uitdrijven en het platte kind, de uitgeputte mama en de uitgeperste vroedvrouw.

De vrouwen uit haar GVO-groep deden het al bij al beter, maar er was géén wetenschappelijke studie met klare cijfers over ‘beter’. Ze werden zelfs de ‘mutsenbrigade’ genoemd.

De goede vroedvrouw heeft nog een poosje gestreden en alsmaar meer heeft ze apathisch deelgenomen aan de geweld-ige sessies verloskunde. Geen bevallingskunde vanuit het perspectief van de moeders, maar ‘verloskunde’.  Ze betrapte zichzelf op haar eigen oppervlakkige geroutineerdheid, afvlakking van eigen blije emoties en eerder donkergroene gevoelens van ‘ik wil dit niet langer doen’. Ze kreeg tegengoesting om te werken bij zoveel protocollen en  instructies, onnavolgbare computertoestanden en papieren. Ze voelde zich zo ver wegdeemsteren van haar ‘roeping’ als teenager.

En ineens, na de zoveelste diepe episiotomie en nabloeding stapte ze naar de personeelsdienst, en met het bloed nog op haar ellebogen zei ze : ‘Ik wil hier weg. Je kan me ontslaan, of ik neem ontslag.’

En de directie zei : ‘please stay. Je bent een goede vroedvrouw. We hebben je  nodig’.

Maar de vroedvrouw waste haar handen en is nooit meer weergekeerd.

Ze heeft veel geweend om de redenen die haar afdreven van haar mooie beroep.

Ze is nu ‘vertegenwoordiger’ van een medicament tegen Alzheimer. Dat medicament brengt op biologisch gefundeerde bewijzen duidelijkheid en inzicht in hoofden van verwarde en onzekere mensen. Dat laatste is op vele domeinen nodig.

Neske, de Wijzervrouw

 

 

Advertenties