Joewie

Ze is zwaar, in zwarte kleren en ruikt overvloedig naar goedkoop parfum, zo’n parfum waarvan je gaat neusvleugelen.

Ze zit in de wachtzaal, zonder afspraak. Niemand heeft haar hier ooit gezien.

Ze is in arbeid , en eens ze op de onderzoekstafel van dockie komt, trekt hij behoedzaam zijn vingers weg bij het vaginale onderzoek: dikke vochtblaas, hoofd ingedaald.

Hij stopt haar persoonlijk in  een rolstoel en wielt haar naar de verloskamers al roepend op de vroedvrouwen.

De vrouw wordt uit de rolstoel gehusseld, en zonder veel omhaal op het verlos-eiland geholpen. Ze zegt niets, kijkt wat dom toe.

Ineens breken de vliezen, en heel intuïtief perst ze Joewie eruit. No big deal. Het is een rozig ventje met levenslust. Zijn chromosomen hebben schoon gecombineerd.             Deze mama is niet geïnteresseerd in haar kleintje en geeft Joewie snel aan de vroedvrouw: “moe ni hemmen…. “

Ze perst zonder veel poeha de placenta er uit en ligt wat te koekeloeren.

Dockie stelt met de glimlach vast: ‘niet geknipt, niet gescheurd : jij hebt dit nogal gedaan hé!’

‘Dit is mijn vijfde’ zegt ze zonder verpinken.

De vroedvrouwen willen haar inschrijven, maar ze heeft geen documenten bij. Ze telefoneert naar iemand die zal komen met valies  en papieren.

Die persoon komt niet, en dan  is zijzelf vertrokken. Joewie bleef  alleen in de kamer. De vroedvrouwen hebben het pas na een tijdje door.

Ze zijn razend kwaad: ze hebben deze vrouw nooit gezien, niemand kent haar officiële naam noch adres. Ze zijn compleet verrast bij surprise.

Joewie verhuist naar de neonatologie.

’s Avonds is de moeder terug op de crime-scène met het bericht:  ze wil het kind afstaan.

Het wordt een heel gedoe met papieren en overheden. Op onverwachte momenten komt de moeder, waarvan de vorige 4 kindjes reeds in pleeggezinnen worden opgevoed, opdagen en zegt dat ze zich aan’t bedenken is.

Ondertussen verblijft Joewie in de kinderafdeling.

Hij wordt bij elke voeding door een ander persoon gevoed, gespeeld, verschoond, geknuffeld. Hij wordt elke dag gewassen en gewogen.

Hij komt goed bij, hij is braaf, hij groeit, hij bloeit niet.

Hij heeft geen vaste schoot, noch vaste lief-hebber.

Hij heeft kleine oogjes, een klein lief knokig hoofdje, een neusje als een championneke, dunne lipjes, géén  haar.

Hij maakt, na 4 weken, nog geen oogcontact en op 7 weken wil hij even glimlachen als men heel goed zijn best doet.

Hij is de lieveling van iedereen. Hij wordt gefrunnikt en beoordeeld.

Af en toe verschijnt de grote zware moeder in’t zwart op de afdeling. Ze neemt Joewie niet op, ze schuift zijn bavet wat heen en weer, ze kijkt wat dreigend rond en gaat telkens weer weg.

Iedereen is kwaad op haar. De wet draait haar administratieve molen traag. Joewie zou een vaste verzorger moeten hebben. Na acht weken onafgebroken binnenshuis in het ziekenhuis, mag hij op een dagje mee naar buiten in een charette, naar het stadspark voor wat zon op zijn bleek velleke.

Er zijn kinderloze verpleegkundigen op dienst die elke avond wensen dat ze een kindje hadden en Joewie z’n tutter insteken, zijn muziekje opdraaien en weggaan.

Niemand hecht zich aan hem, en hij hecht zich ook aan niemand.

Dagelijks komt Jo de kinesist wat spelen met Joewie : een uurtje mannen-infotainment en dit na zijn uren. Op een dag doet hij het nat pampertje uit en merkt hoe Joewie véél levendiger wordt en er op los spartelt en stampt. Hij plast in het rond. Jo moet zo lachen en dan komt een verpleegkundige binnen en vindt het vreemd dat een kinesist bij een baby in zijn bloot poepegatje is en alarmeert de hoofdverpleegkundige en de interne dienst en er wordt een verhaal opgehangen van Jo met Joewie in zijn bloot kontje.

Jo komt nooit meer zien, hij is diep geaffronteerd.

De moeder in het zwart manifesteert zich af en toe, nestels niet gebonden, tirette van haar trainingsbloes kapot. Ze brengt een lekstok mee voor Joewie: alles zeggend, niets omvattend, niets al zeggend.

Soms dreigt ze heel astrant op de bureau dat ze hem zal meenemen naar de foor, en daarna komt ze een week niet meer zien. Het is een degoutant kat- en muisspel waarbij Joewie wordt gegijzeld in een moeilijke opvoedingssituatie. Crapuleus.

Er zijn gesprekken met God en klein Pierke.

Er is hoop en wanhoop en colère omwille van  deze aanmodderende situatie.

Het team heeft schijnbaar patience met de situatie, maar telkens de moeder langskomt, is er stress en machteloosheid.

Het heeft te lang geduurd voor Joewie. De gevolgen zullen voor later zijn. Goed begonnen is half gewonnen, slecht begonnen is meestal verloren.  Arme Joe. Tot nu toe géén geluk voor jou.

Op een dag, na weken van procedures en onduidelijkheid,  komt er een jong gezin. met een baby van één jaar, in een draagdoek. Ze hebben een lege kinderwagen bij. Zij gaan voor Joewie zorgen als pleeggezin.  Ze zien er vastberaden en lief uit.

———–

Na een week: hoe zou het met Joewie zijn?

Hoe leeft hij nu  en wat is er van zijn grote zware mama… ?

———–

Joewie ligt niet meer in panne op de pechstrook van het leven.

Big mama is zwanger van haar volgende…

 

Neske de Wijzervrouw